De Spaanse gitaar

Een goede keuze voor beginners

Voor beginnende gitaristen is het handig om met een Spaanse (Klassieke) gitaar te beginnen. Hoewel de hals wat breder is dan bij andere gitaren geeft dit toch ook weer wat meer ruimte voor je vingers bij het bespelen. Ook zijn de nylonsnaren een mindere aanslag op je vingers en vaak soepeler te bespelen. Het grote verschil is uiteraard dat je met de aanslag hand de vingers gebruikt om te tokkelen of akkoorden aan te slaan. Dit gebeurt op western- en elektrische gitaren vaak met een plectrum. Bij de overstap naar een dergelijke gitaar is het dan ook vaak werken aan het verfijnen van de aanslagtechniek met een plectrum. De geschiedenis van de Spaanse gitaar heb ik al behandeld: zie hier.

De diverse onderdelen

Er is echter nog veel meer over deze gitaar te vertellen. Allereerst de diverse onderdelen van de gitaar, de benamingen ervan: Zie hieronder een plaatje van de voor- en achterkant van een Spaanse gitaar. Veel spreekt in dit plaatje wel voor zich, toch wil ik wat termen even toelichten:

  • Mensuur: Dit is de (effectieve) maximale lengte van een trillende snaar die bepalend is voor de laagte van de toon. Instrumenten met grote mensuur zijn vaak groter dan instrumenten met een kleine mensuur. Bijvoorbeeld: een ukelele heeft een kleinere mensuur dan een Spaanse gitaar, en haar laagste toon ligt dan ook veel “hoger”. De mensuur-lengte van een (normale) Spaanse gitaar is 65 cm. Spaansgitaarbenamingen
  • Binding: De ingelegde “draad” die rondom loopt over het bovenblad van de gitaar.
  • Rozet: Dit is de versiering rondom het klankgat. Oorspronkelijk Moors.
  • Brug: het verlijmde houten stukje op het bovenblad, waarop brugzadel (verhoogde deel waar de snaren doorheen lopen) en brugkam (of brugbeen) zijn geplaatst.
  • Materialen: Er is een grote variatie in materialen mogelijk. Diverse houtsoorten worden gebruikt, waarbij vooral de klank en hardheid van het bovenblad belangrijk is. Zo worden er daarvoor bijvoorbeeld hardere houtsoorten als sparrenhout, ceder, of pijnboomhout gebruikt.  Voor zijkanten en toetsen bijvoorbeeld Pallisander. Die variatie zorgt natuurlijk ook voor de verschillen in prijs.
  • Fret: dit is een ijzeren balkje wat ervoor zorgt dat de snaar een bepaalde lengte meekrijgt. Die lengte, dus de precieze afstand tussen 2 punten (namelijk fret en brug) geeft een trilling en die zorgt weer voor een zuivere “noot”. Je plaatst je vinger altijd zo dicht mogelijk achter de fret. Er zijn ook fretloze instrumenten (fretless) of gitaren waarbij de fret is ingesneden in plaats van erin (en deels erboven) gelegd. De “plank” waarin de frets zijn gelegd noemt men het fretboard.
  • Hals: Op zich lijkt het me duidelijk waarom de hals “hals” wordt genoemd, echter ik wil hier een paar opmerkingen over maken: Allereerst is een hals nooit helemaal “recht” of ” waterpas”. Een hals heeft altijd een bepaalde “kromming”, en zelfs die kromming loopt nog “vlak” uit. De kromming of boog die de hals maakt luistert zeer nauw. De snaren moeten er op een bepaalde hoogte overheen worden gespannen, maar niet te hoog (moeilijker bespeelbaar) en niet te laag (de snaar loopt dan ergens op de hals “aan”, dit noemen ze een “buzz”). Om ervoor te zorgen dat de hals “stijf” blijft wordt er vaak gebruik gemaakt van bepaalde stijve houtsoorten (bijvoorbeeld Mahonie, Esdoorn, Pallisander). Daarnaast wordt een hals vaak (aan de achterzijde, binnenkant) verstevigd door middel van het infrezen en inleggen en verlijmen van (bijvoorbeeld) carbon fiber staven. (“rods” noemt men dit)

Nylon snaren

Een andere belangrijke eigenschap van de klassieke gitaar is het feit dat deze dient te worden bespannen met Nylon snaren. Deze snaren zijn er in verschillende soorten en materialen. Van “low tension” tot “high tension”. De “low tension” snaren zijn snaren met een lagere spanning en makkelijker speelbaar dan de “high tension” snaren. Deze laatste hebben een hogere spanning en klinken daardoor luider (en langer door). De “high tension” snaren snaren worden onder andere gebruikt op een flamenco gitaar (ook wel: “rode snaren”). De “medium tension” snaren liggen er tussenin. Er worden bij de klassieke gitaarsnaren verschillende soorten materiaal gebruikt:

  • Zilver omwonden snaren, dit zijn nylon (of composiet) snaren, welke omwonden zijn met verzilverd koper. Geven een warme, heldere klank. Vroeger werd er in plaats van nylon darm gebruikt.
  • Titanium omwonden snaren, dit zijn nylon (of composiet) snaren, welke omwonden zijn met titanium. Geven een warme, heldere klank met een goede respons en sustain.
  • Gecoate snaren, dit zijn snaren die bovenstaande samenstelling hebben. Deze gitaar snaren zijn daarnaast voorzien van een coating oftewel een beschermlaag. Dit heeft als voordeel dat de snaren veel langer meegaan, langer hun klank eigenschappen behouden en minder snel slijten. Hier staat tegenover dat de prijs van deze gitaar snaren hoger ligt. Normaal gesproken gaan deze snaren 3 tot 5 x langer mee dan “gewone” snaren. Veel gitaristen vinden snaren met een coating wat “kouder” klinken.

Er is, zoals je wel zult begrijpen, erg veel keuze in klassieke snaren, immers je kan naast het kiezen voor een bepaalde “tension” ook nog kiezen voor een bepaalde “winding” en/of “coating”. En uiteraard voor een bepaalde fabrikant. Zoals ik elders al heb uitgelegd is dit een persoonlijke (en vaak ook gitaarafhankelijke) keuze.

De dikte van de Nylon snaren heeft bij de klassieke snaar weinig tot geen invloed op de klank. De spanning (tension) heeft wel invloed: hoe hoger deze is hoe “harder”, duidelijker de klank zal zijn. Ook zal de snaar zwaarder te bespelen zijn zoals ik al vermeldde en wat minder warm klinken. Tot slot nog enkele bekende snaarmerken: Aranjuez, Augustine, D’Addario, La Bella, Boston, GHS, Hannabach en Savarez.  Een andere keer trouwens meer over het op de juiste manier bespannen en stemmen van de Klassieke gitaar!

Notatie en terminologie

Zoals wellicht wel bekend zal zijn speel je Klassiek gitaar met je vingers, en niét met een plectrum (al kan dat natuurlijk wel). Het speelt vaak fijner als je je nagels van je “aanslag-hand” wat laat groeien. De nagels van je vingers waarmee je de toetsen indrukt zijn uiteraard kort geknipt! Enige tips om je nagels lang te houden: Drink veel melk, gebruik (een doorzichtige) nagellak, hou je nagels altijd netjes bij. Tip om eelt op de topjes van je vingers te krijgen: Leg een baksteen op je buro en tik daar de hele tijd op terwijl je (bijvoorbeeld) je huiswerk maakt ofzo. Hieronder de benaming van de vingerzetting (vaak terug te zien bij notenschrift voor klassieke gitaarstukken):

Pima (aanslaghand)                                                        1,2,3,4 (fretboardhand)
Pulgar= duim                                                                  Wijsvinger= 1
Indice= wijsvinger                                                           Middelvinger= 2
Medio= middelvinger                                                       Ringvinger= 3
Anular= ringvinger                                                           Pink= 4

Tot slot: Bij het spelen van een klassiek gitaarstuk wordt (net als bij andere instrumenten) vaak aangegeven hoé de componist wil dat je e.e.a. speelt. Bijvoorbeeld: Forte, fortissimo, lente, piano, crescendo, etc. Daarnaast wordt er, speciaal voor gitaar, vaak bijgezet hoe het “technisch” dient te worden uitgevoerd:

  • Arpeggio: Tokkelend (de ene noot valt na de andere)
  • Apoyando: (letterlijk: drukkend) Vallende aanslag (rest stroke in het engels)
  • Tirando: (letterlijk: trekkend) Niet-vallende of open aanslag (free stroke in het engels)
  • Staccato: Kort, afgebeten
  • Rasquedo: Raspend
  • Golpe: Klop of tik op de gitaar
  • Legato: Gebonden (aan elkaar gebonden de noten spelen)
  • Hammer-on: (letterlijk: Hamer er op) Speel een noot en sla met een andere vinger de volgende noot (door neer te “hameren” op fretboard)
  • Pull-off: (letterlijk: Trek er af) Door een vinger van de snaar af te trekken speel je de volgende (vaak lagere) noot
  • Glissando: Van de ene naar de andere toon glijden (slide in het Engels)
  • Barrée: Met een vinger van de linkerhand (fretboardhand) meer dan één snaar tegelijk indrukken, je hebt kleine en grote barrée.
  • Neerslag: Alle snaren aanslaan in één beweging naar beneden aanslaan van de 6e naar de 1e snaar. (downstroke in het engels)
  • Opslag: Alle snaren aanslaan in één beweging omhoog aanslaan van de 1e naar de 6e snaar. (upstroke in het engels)
  • Gebroken aanslag: In de richting van de pijl sla je de snaren aan met één vinger. De snaren klinken nu niet tegelijk maar vlak na elkaar.

spaanstechniek

 IMG_9162


Posted in Blog, De Spaanse gitaar.